De foodhal is in trek, maar het kan ook snel mis gaan

bron: Het Financieele Dagblad 12 juli 2018

De teller stond vier jaar geleden op nul, inmiddels telt Nederland dertien eethallen. Nederland is foodhal-gek, al vallen de eerste locaties alweer om.

Dozensjouwers lopen af en aan met kartonnen pakketten, twee dames stofzuigen de betonvloer en de net afgeleverde biertaps staan ietwat verloren in een zee van ruimte. Op de begane grond van Pakhuismeesteren, een monumentaal gebouw op de Kop van Zuid, wordt hard gewerkt aan de komst van Foodhallen Rotterdam. De vraag is: heeft de stad plek voor nog een foodhal? De met veel bombarie geopende Markthal gaat gebukt onder tegenvallende inkomsten en een andere, Marché 010, sloot de deuren in juni.

Horeca-ondernemer Chong Chu bij het monumentale Pakhuismeesteren op de Kop van Zuid in Rotterdam. Later deze zomer openen daarin Foodhallen Rotterdam, een vestiging (217 kamers) van het Spaanse Room Mate Hotels en verschillende winkels.Foto: Bart Hoogveld voor het FD

Nog niet verzadigd

Een paar jaar geleden was het een onbekend fenomeen, inmiddels telt Nederland dertien foodhallen. Plus de overdekte versmarkten, beter bekend als markthallen, en zogenoemde mixconcepten, komt het totale aantal uit op twintig locaties. Er komt meer aan: er zijn plannen voor foodhallen in onder meer Arnhem, Groningen en Breda.

Dan nog is de landelijke markt niet verzadigd, zegt Guido Verschoor van horeca-adviesbureau Van Spronsen & Partners. Hij verwacht dat veel grote steden de komende jaren een foodhal krijgen. ‘In de echt grote steden plek is zelfs plek voor meerdere.’

Losser dan restaurants

Foodhallen zijn in trek omdat ze meer bieden dan alleen eten, denkt Verschoor. Lezingen, speelkasten, muziekoptredens. ‘Er gebeurt van alles om je heen als bezoeker. Die extra reuring, dat vinden mensen leuk’, zegt hij. De sfeer is losser dan in een restaurant. Hier bewegen mensen zich vrijer. Ze halen bij verschillende standjes eten en ze kunnen wisselen van zitplek. In een restaurant focus je alleen op je eigen tafel en word je bediend.

Vooral jongeren gaan graag naar foodhallen. ‘Daar kunnen ze informeler met groepen samen zijn, zonder stijf aan tafel te zitten’, zegt Jan-Willem Grievink, ceo van het FoodService Instituut Nederland (FSIN). Bovendien zijn foodhallen nieuw en hip en ze stellen jongeren in staat ‘leuke dingen te beleven’.

Voormalige tramremise

Rustig wandelt mede-eigenaar Chong Chu (37) – zwart shirt, beige broek en sneakers met tijgerprint – rond over de 1.000 vierkante meter tellende vloer waar Foodhallen Rotterdam binnenkort opent. Chu was de eerste in Nederland die met een foodhal begon. Vier jaar geleden opende hij met een aantal vrienden Foodhallen Amsterdam, een verzameling eettentjes onder één dak en dezelfde naam in een oude tramremise in Oud-West.

Met succes. In 2017 kwamen er 650.000 betalende bezoekers, 65% van buiten Amsterdam. Gemiddeld besteden gasten €15 tot €20 euro. ‘We groeien vanaf dag één’, vertelt Chu. ‘Ik had verwacht dat de rek er inmiddels uit zou zijn, maar het zet nog steeds door.’ Dan lachend: ‘In het begin kende niemand ons en was het lastig om de eettentjes snel vol te krijgen. We waren blij met iedere nieuwe huurder. Nu zijn we een stuk kritischer.’

Oude paardrijdzadels en boomstronken

De opening van Foodhallen Amsterdam inspireerde andere ondernemers; ze ontwikkelden in rap tempo soortgelijke concepten, elk met eenonderscheidend onderdeel. Food Explore in Utrecht positioneert zichbijvoorbeeld als een ‘all you can eat’ variant met twintig keukens, terwijl de Twentsche Foodhall in Enschede zich richt op duurzaamheid met lokale ingrediënten, producten zonder bestrijdingsmiddelen en vintage meubilair (bij het ribhouse dienen oude paardrijdzadels en boomstronken als stoelen).

Het verdienmodel zit op bijna alle plekken als volgt in elkaar: deondernemers achter de foodhal runnen een centrale bar, de eettentjesworden verhuurd. De huurders betalen vaste servicekosten per maand en dragen een percentage van hun omzet af. Het voordeel is dat de eigenaar de huur van slecht scorende eettentjes kan opzeggen of huurders verwijderen als ze zich niet aan de regels houden.

Concurrentie van foodtrucks

Het gaat niet altijd goed. Hoewel Nederlanders jaar op jaar meer uit geven aan eten buiten de deur – dit jaar verwacht het FSIN een recordbedrag van €1163 per persoon – hebben de eerste foodhallen de deuren alweer gesloten. Amicitia Food Village in Amersfoort gooide binnen een jaar de handdoek in de ring. De locatiekeuze midden in een winkelgebied bleek ongelukkig; ‘s avonds zijn de winkels gesloten en dat deed de toestroom van klanten geen goed.

Marché 010 in Rotterdam stopte wegens een gebrek aan diversiteit van kramen, wisselende kwaliteit van het eten en een trage bezoekersaanloop. En ondanks acht miljoen bezoekers op jaarbasis hebben ondernemers in de Markthal in diezelfde stad moeite hun hoofd boven water te houden. Het imposante gebouw trekt vooral dagjesmensen en die kopen vrijwel niets.

Historische gebouwen

Ook is er concurrentie van foodtrucks en bijbehorende festivals, een soort foodhallen in de open lucht. Die lokken vooral in de zomermaanden mensen weg bij de eethallen. Ook het reguliere horeca-aanbod dijt snel uit. Het aantal stoelen groeit harder (15% per jaar) dan de omzet (5 %), aldus FSIN. Kortom: de strijd om de klant is fel.

Ondernemer Chong Chu: ‘Alleen in een historisch gebouw in een grote stad heb je genoeg aanloop.’

Ondertussen kijkt Chu naarnieuwe locaties. Samen met zijn compagnons wil hij nog twee of drie nieuwe foodhallen openen. Ieder in een historisch gebouw in een andere grote stad. ‘Alleen daar heb je genoeg aanloop.’ Elkevestiging krijgt een local touch. In Rotterdam zal het interieur verwijzen naar oude scheepskantines en in het vloerontwerp bij de hoofdentree zullen maritieme vlaggen terug te zien zijn. ‘Maar wel subtiel, het moet er niet te dik bovenop liggen.’

Overzicht van foodhallen in Nederland:

https://bnrnieuwsradio.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=2e9616f5829644b9b00955d94d322225&mobileBreakPoint=300

Wat kan de modesector leren van de boekhandel 2.0?

Dit artikel is geschreven door Rixt de Jong, consultant, van Bureau RMC .

In een aantal jaar tijd zijn, tussen het geweld van het internet waar spelers als Bol.com domineren, veel boekhandels in Nederland getransformeerd naar mooie winkels waar consumenten graag komen en kopen. Boekhandelaren hebben een goed antwoord weten te vinden op de structurele veranderingen in de markt. De on- en offline verkoop gaan hand in hand, want zij weten als geen ander dat het niet het één of het ander is. Ook in de modesector is online niet meer weg te denken. Daarom belicht Bureau RMC graag wat de deze sector kan leren van de boekensector.

Harde klappen

De boekensector kreeg als één van de eerste sectoren de harde klappen te verwerken van de opkomst van online winkelen. In de periode van 2007 tot en met 2014 verdwenen maar liefst 200 van de 1000 boekwinkels uit het Nederlandse straatbeeld. De belangrijkste reden om offline te kopen, namelijk een product beoordelen en proberen, gaat voor een boek niet op. In tegenstelling tot een kledingstuk, dat men wil voelen en passen, is bij het kopen van een boek vooral de inhoud belangrijk. Tel daar de opkomst van e-books bij op en dan snapt iedereen dat de boekensector een megaverandering achter de rug heeft.

Van boekhandel 1.0 naar 2.0:

Menig fysieke boekhandel verweerde zich echter kranig en sloeg terug. Zo ging men op zoek naar de toegevoegde waarde om de klant beter aan zich te binden. Naast het uitgebreide assortiment boeken dat direct te koop of te bestellen is, worden er debatten georganiseerd, houden inspirerende gasten lezingen en kan horeca het bezoek van de klant verlengen. De horeca trekt zelfs winkelend publiek naar binnen dat geen bezoek aan de boekwinkel had gepland. De boekhandel is geen winkel meer waar de klant alleen nog binnenkomt als hij weet wat hij wil kopen, maar een plek waar hij wil zijn en verblijven.

Mooie voorbeelden: Paagman en Livraria Lello

In Nederland zijn veel boekwinkels geslaagd in deze transformatie. Paagman, met twee vestigingen in Den Haag en in 2017 uitgeroepen tot retailondernemer van het jaar, organiseert maar liefst 200 publieksactiviteiten per jaar, heeft een apart deel voor de allerkleinsten genaamd ‘Villa Paagman’ en een eigen café met zelfgebakken taarten. Hun motto: fysieke boekhandels hebben de toekomst als je durft om dingen te blijven proberen. Soms lukken dingen en soms niet. Ondernemen is het belangrijkste. Innoveren en investeren.

Ook over de landsgrenzen zijn bijzondere boekwinkels te vinden. Zoals Livraria Lello in Porto. Deze boekwinkel behoort tot één van de mooiste boekwinkels ter wereld. Het overweldigend interieur in gotische stijl met een prachtig glas-in-lood-raam in het plafond en een bijzondere organische trap in het midden van de ruimte die leidt naar de eerste verdieping maken deze winkel tot ware trekpleister voor onder andere toeristen. Het verhaal gaat dat een aantal onderdelen uit deze boekhandel een inspiratie is geweest voor J.K. Rowling bij het schrijven van de Harry Potter verhalen. Livraria Lello vraagt inmiddels entreegeld dat overigens wel als korting dient bij de aanschaf van een boek.

Tips voor de modesector

Wat kan de modesector leren van de boekhandel 2.0? Een aantal tips en tricks met de transformatie van de boekhandel in gedachte:

Tip 1. Doelgroep binden

Boekhandelaren weten inmiddels hoe ze hun doelgroep nog meer aan zich kunnen binden door bijvoorbeeld actuele schrijvers uit te nodigen. Waarom niet een ontwerper laten vertellen over de nieuwste trends in de winkel of de modetips laten belichten door een vlogger? Met horeca wordt in de boekwinkel een plek geboden waar boeken rustig kunnen worden bekeken. Een goede tip voor de modesector, die al op menig plek wordt geprobeerd en helaas op wat juridische bezwaren stuit. Het belang van de consument moet centraal staan. Waar heeft de doelgroep interesse voor? Zoek zowel wel in assortiment als in evenementen de diepte op.

2. Personeel in hun kracht

Veel boekhandelaren maken de omslag van bibliofiel naar gastheer. Ze worden steeds klantgerichter en verwachten dit ook van hun personeel. Het internetprincipe ‘als je van dit boek houdt, moet je hier ook eens naar kijken’ krijgt met goed personeel ook vorm in de fysieke winkel. Personeel binnen de modebranche zou ook de combinatie moeten zoeken tussen het overbrengen van passie voor mode en de (latente) wensen van de consument. Uit het cross-channel retail onderzoek van ABN Amro blijkt namelijk dat, na het beoordelen van het product en plezier hebben tijdens het winkelen, deskundig en professioneel advies op nummer drie van redenen staat om offline te winkelen.

3. Investeer in service

Voor boekhandels zijn de tijden voorbij dat een winkelier tegen een klant kon zeggen dat een boek niet op voorraad is en dat bestellen dagen kost. Dit is immers geen optie meer met Bol.com met dezelfde-dag-levering als alternatief. Het lijkt voor de hand te liggen om de juiste dienstverlening te bieden, maar het staat niet altijd bovenaan het lijstje voor retailers. Elke bezoeker moet een klant zijn of tenminste een klant waar je later een relatie mee op kan bouwen via e-mail of social media. Zorg dat de consument met een bovengemiddeld positief gevoel de winkel verlaat, laat zien dat je hem kent en herkent, want persoonlijke ervaring wordt steeds belangrijker in het keuzeproces voor een winkel.

De boekhandel heeft duidelijk laten zien dat er toekomst is voor de boekhandel 2.0. en dat de consument de fysieke boekwinkel blijft omarmen. We roepen de modesector op goed naar andere sectoren te kijken om vast te stellen hoe de modewinkel van de toekomst eruit zal zien.

Augmented Wi-Fi: Driven by AI

from: thetechfool.com, Ajay Malik

‘Hey, what is your Wi-Fi password?’, People ask me when they come to my home almost within first few minutes.  And, I either give them my Wi-Fi Network Name/password or configure it on their device. But, then there is so much of risk! I essentially connect them to my local network.  If there is a “hacker” software on their device, it can perhaps start figuring out what is breakable in my home network. It can probably hack my network in more ways than I can imagine.  What if it can access my “identity,” my “social security number,” “bank accounts,” “passwords” etc.  Let us not even go there.

Or, consider the scenario when I am not at my home.  I look for a Wi-Fi Networks around me and make assumptions.  I assume that the ‘Name’ that sounds reasonable must be the one provided by the owner of those premises.  For example, when I am at San Francisco International Airport, I use #SFO_Free_WiFi and trust that it is correct one. My kids use it too and here goes my parental control. They now roam uncontrolled. And, don’t forget that we have to accept/agree to every privacy violation the Wi-Fi provider wants us to opt-in. Remember the London incident where when people connected to the public free hotspot, the terms and conditions included a “Herod clause” promising free Wi-Fi but only if “the recipient agreed to assign their first born child to us for the duration of eternity”. Six people signed up!

Not only that, each Wi-Fi network is a separate private network. My home network, my office network, hotel network, or any coffee shop network etc. are all separate networks. When my wife calls me when I am in another city and if she is having problem with the home Wi-Fi, I can’t help because I am on a network which is different from my Wi-Fi network at home. Most of us are turning into Wi-Fi engineers to configure Wi-Fi at home. Have you seen the web pages that show up when you configure the Wi-Fi access points from WPLink, Linksys, NetGear etc. EeroGoogle, and other companies, have tried to create mobile apps or simplified versions but they go only so far too.

All these problems are solvable by making use of sophisticated tools, understanding what client isolation means, identity management software, Cloud-based Wi-Fi networks, VPN setups, etc.

It has reached the masses but still, needs an engineer to configure or operate.

And, if you take a moment, in this age when its all about mobility, SSID is something that is tying you to a location, tying you to the “premises”, tying you to the “owner of the premises.”  The need to connect with a SSID to get Wi-Fi access needs to go away. In this IOT world, this is even more important than anything else. Over 50 billion devices to be connected in next five years and many of them will be connecting over Wi-Fi. Configuring each device or every IOT gateway with Wi-Fi configuration parameters is just not practical.

Last year, I wrote that Artificial Intelligence will revolutionize Wi-Fi. I had mentioned how machine learningcan help with user experience or network operation. I strongly believe that brainwaves can be used to augment human experience of the Wi-Fi network and eventually, internet. And, another area where AI will help is seamless identity based login and user’s control on the policy. AI will help us to create a Wi-Fi network that follows the user, follows the device, and requires no SSID to connect. A Wi-Fi network that is so smart, it will enable the “access” based on who you are, what you are, or what your intentions are and not who the owner of premises is. The concept of SSID as we know today will go away.  This is what I call Augmented WiFi. Artificial intelligence augmented Wi-Fi. Augmented Wi-Fi will not just help with user experience or network operation; it will also enable seamless login and user policy control.

It all began with SSID

Every time I look at SSID, the quote from Dr. Seuss comes to my mind.

It all began with a shoe on the wall. A shoe on the wall shouldn’t be there at all – Dr. Seuss

Every wireless network has a name and Service Set Identifier (SSID) is simply the technical term for that name. A wireless device (client) must use SSID (this network name) and the corresponding password (if any) to connect to access the resources of the traditional wired network behind the Access Point. The wired network can be an organization intranet or the Internet, depending on the placement of the Access Point.

SSID also enables multiple independent wireless networks to coexist in the same physical area. It is a very common to have a separate SSID for guest users versus employees, for example.

This has been the architecture from the ‘day one’. What goes on behind that SSID is going to vary wildly depending on the environment in play. The SSIDs are defined by the owner/administrator of the Wi-Fi Access Point and the policies, the security, the privacy, the data collection, roaming, everything is controlled by the owner/administrator of the Wi-Fi Access Point.

To paraphrase Rousseau, man is born free, yet everywhere he is caged. The free movement is curtailed by the arbitrary lines known as borders. And, SSID is yet another border!

In Augmented Wi-Fi, when a user enters a premise, the user’s device is automatically connected to the user’s private network segment that has the policies as set up by the user. It is done based on user biometrics or something else. I could not have asked for a better ID than the Face ID in iPhone X. User gets the experience, the user has opted in for. User doesn’t have to succumb to idiosyncratic agreements desired by the owner of the premises. Owner of premises does not control anything around Wi-Fi. It becomes free. The user does not have to ask SSID or password. In fact, the SSID is not even advertised by the Access Points. A user is always in the user’s private network.

As a user may have multiple identities, for example, at home, as an employee at work, a volunteer at a non-profit or so on, the user can be part of multiple private networks although the user does not feel it.

Yes, some end goals like this have been thought as part of HotSpot standards also but they have been lost in the SSIDs or Cloud-based Wi-Fi. You can think of Augmented Wi-Fi as the next evolution of Wi-Fi. It will enable the consistent experience, remove configuration, better privacy, security, air utilization and a true borderless experience.

EEN URL LEZEN IS NIET ZO SIMPEL ALS HET LIJKT

bron: fraudehelpdesk.nl

Valse websites hebben steeds vaker een webadres dat heel betrouwbaar lijkt. Hoe kun je toch ontdekken dat een URL vals is?

Ooit was het nog eenvoudig om onbetrouwbare webadressen te ontdekken. Ze waren bijvoorbeeld niet voorzien van een groen slotje of URL die begon met https. En dat terwijl het zogenaamd om de website van een bank zou gaan. Als oplettende bezoeker wist je dan dat het foute boel was.

Ook werd klanten van banken geleerd dat ze goed moesten opletten hoe het eerste deel van de link eruit zag. Zaten ze wel op bankieren.bankvanu.nl of mijn.bankvanu.nl? Pas als dat het geval was konden ze veilig inloggen.

Moeilijker
Helaas zijn oplichters gehaaider geworden. Dat maakt het noodzakelijk dat internetgebruikers beter opletten waar ze hun gegevens invullen. Dat komt doordat:

– Ook valse sites regelmatig voorzien zijn van een groen slotje en een https-URL
– De URL er ook heel betrouwbaar uitziet

Daar komt nog bij dat valse sites er vaak prima uitzien. Bezoekers zijn dan onvoldoende op hun hoede.

Een URL goed lezen
Toch is het nog steeds mogelijk een valse URL te ontdekken. Om uit te leggen hoe u dat het beste kunt doen beginnen we met een voorbeeld:

Voorbeeld 1: https://www.example.nl

Dit adres bestaat uit drie onderdelen:

1. http:// of https://

2. www.

3. example.nl

Onderdeel van de hostnaam is het zogeheten top-level domein. In dit geval is dat .nl. Varianten hierop zijn .com, .org of .be.

Helaas zijn sommige URL’s niet zo overzichtelijk. Daar maken oplichters misbruik van. Via valse e-mails of berichten op WhatsApp zouden zij de volgende link kunnen verspreiden:

Voorbeeld 2: https://www.belastingdienst.nl.example.nl/www.bankvanu.nl/inloggen.html

Dit adres bestaat uit vijf onderdelen:

1. http:// of https://

2. www.belastingdienst.nl

3. example.nl

4. www.bankvanu.nl/

5. inloggen.html

Oplichters maken URL’s onoverzichtelijk door het subdomein te voorzien van bekende domeinnamen. Wie snel kijkt naar het adres in voorbeeld 2 denkt naar www.belastingdienst.nl te gaan. Wat u niet direct doorheeft is dat het echte domein example.nl is.

Om dit te ontdekken is het handig als eerste te letten op alles tussen https:// en de eerste / in het adres. In dit geval is dat: www.belastingdienst.nl.example.nl. Vervolgens is het goed om te weten dat het echte domein altijd achteraan staat. Het helpt dus om zo’n adres van achteren naar voren te lezen. Wie dat doet ziet dat het domein example.nl is en het subdomein www.belastingdienst.nl. Staat er geen / in de URL? Dan kunt u helemaal achteraan beginnen met lezen.

Ook legale bedrijven als banken gebruiken de mogelijkheden die een subdomein biedt. Zoals eerder vermeld gebruiken banken URL’s als bankieren.bankvanu.nl of mijn.bankvanu.nl.

Uit voorbeeld 2 blijkt dat ook een map op de website gebruikt kan worden om mensen te misleiden. Deze map kan de naam gegeven worden van een bestaand bedrijf, zoals die van uw bank. Dat geldt ook voor de naam van een bestand op de website. In dit geval is dat inloggen.html. Hierdoor kan een snelle of slordige lezer al gauw denken dat hij via deze link kan inloggen op zijn internetbankieren. En dat is precies wat een oplichter graag wil.

Tips op een rij
Het is dus lang niet altijd eenvoudig om een URL goed te lezen. De volgende drie tips kunnen u hierbij helpen:

– Kijk niet alleen naar waar een URL mee begint. Beter is te letten op het stuk tussen https:// en de eerste / die u ziet.

– Lees dat gedeelte vervolgens van achteren naar voren. Dat komt u er snel achter wat het hoofddomein is. Staat er geen / in de URL? Dan kunt u helemaal achteraan beginnen met lezen. U kunt dan bepalen of u zich bevindt op de site die u zocht.

– Trap niet in de subdomeinen die lijken op een bekend webadres. Zo’n subdomein komt u misschien bekend voor, maar hoeft niks te maken te hebben met het werkelijke domein dat u bezoekt (denk aan voorbeeld 2). Onlangs waarschuwden we voor een valse website van de Belastingdienst. De URL die gebruikt was luidde:

http://www.belastingdienst.nl.35162844.idealbetaling.pw

Dat lijkt de website van de Belastingdienst. Maar nu weet u dat het werkelijke domein idealbetaling.pw is.

Kabinet wil dat consument eigen router kan kiezen bij telecomabonnement

bron: NU.nl

Het kabinet wil dat consumenten de keuzevrijheid krijgen om hun eigen modem, router of tv-ontvanger te gebruiken, als zij een vast telecompakket afnemen.

Nu gebruiken de meeste Nederlanders nog apparatuur die standaard wordt meegeleverd door de provider. Meestal bieden telecomaanbieders hier geen keuze in.

Woensdag begint een internetconsultatie over een nieuwe beleidsregel die de keuzevrijheid in de wet zal verankeren. Het blijft wel mogelijk dat providers tegen betaling apparatuur blijven leveren, maar medio 2018 moeten klanten ook de mogelijkheid krijgen om te kiezen voor hun eigen apparatuur.

Een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken zegt te verwachten dat er meer concurrentie zal ontstaan op de telecommarkt, en dat providers korting zullen geven aan klanten die geen apparatuur afnemen bij hun abonnement. Ook moet de routermarkt competitiever worden door de maatregel.

Belanghebbenden krijgen tot halverwege februari om te reageren op het voorstel. Daarna neemt staatssecretaris Mona Keijzer (Economische Zaken en Klimaat) een definitief besluit.

Privénetwerk

Volgens Keijzer maken modems, routers en tv-ontvangers deel uit van een privénetwerk. “Daar hoort bij dat je zelf mag kiezen welke apparatuur daarop het best past bij jouw wensen, bijvoorbeeld op het gebied van privacy. Net zoals dat je zelf kunt kiezen welke mobiele telefoon of welk merk televisie je koopt. Hieraan is behoefte bij consumenten en het stimuleert bovendien dat meer aanbieders van deze apparaten toegang tot de markt hebben.”

Het mysterie van de verdwenen telefoonwinkel

Van: Locatus.com, Peter Nieland

Enkele weken geleden werd ik gebeld door een oplettende journalist. Hij had het idee dat de telefoonwinkel aan het verdwijnen is: met andere woorden, dat het aantal telefoonwinkels sterk afneemt. Maar om dat echt goed te weten belde hij natuurlijk met Locatus. Mijn eerste indruk (op onderbuikgevoel) was dat het wel eens zou kunnen kloppen. Na een nadere analyse bleek dit toch anders te liggen. Maar waar komt dat gevoel dan toch vandaan?

Het aantal winkels door de jaren heen

Om te toetsen of de gedachte over minder telefoonwinkels klopt heb ik het aantal verkooppunten per jaar op een rij gezet.

In de grafiek zien we dat het aantal winkels in 2017 krap 5% gedaald is, maar dat het huidige aantal winkels vergelijkbaar is met begin 2013. Dus deze cijfers onderschrijven het gevoel van sterke daling niet. Hoe kan het dan dat we toch deze indruk hebben.

Minder zichtbaarheid van de winkels

Als we kijken naar de zichtbaarheid van telecom winkels vallen een aantal zaken op. De meeste consumenten lopen op de A1- en A2 locaties binnen een winkelgebied. Daar zien we wel degelijk een verschuiving. In 2010 waren er 570 telecomwinkels aanwezig in deze drukstbezochte gebieden. In 2017 zijn dat er nog maar 435. Dat is bijna 25% minder.

Daarnaast wordt de zichtbaarheid beïnvloed door de aanwezigheid van formules. Ook daar zien we een verschuiving. In 2010 behoorde 70% van de telecomwinkels tot een formule, terwijl dit in 2017 is gedaald naar 56%. We komen dus minder bekende beeldmerken tegen op straat en de onbekende zelfstandige telecomwinkels vallen ons veel minder op.

We zien de volgende verschuiving:

Keten Aantal 2010 Aantal 2017
PHONE HOUSE 188 91
BELCOMPANY 174  –
TELFORTELECOM 152
VODAFONE 88 199
T-MOBILE 81 120
KPN 89 104

Amsterdam Centrum als voorbeeld

Als we vervolgens naar ons grootste en bekendste winkelgebied kijken (Amsterdam Centrum), zien we een spectaculaire daling. In 2010 kon men nog naar 22 telecomwinkels in het centrum van Amsterdam en in 2017 zijn er daar nog maar 12 winkels van over. Een daling van 45% in het drukstbezochte deel van de stad, waardoor ‘we’ dus denken dat er minder telecomwinkels zijn.

Maar als we naar de gehele gemeente Amsterdam kijken, zien we dat die daling veel beperkter is: van 112 winkels in 2010 naar 100 in 2017, een daling van 11%.

Conclusie

Het gevoel klopt dus niet: de telefoonwinkels verdwijnen nog niet uit het winkellandschap. Maar er vinden wel verschuivingen plaats. Van toplocaties naar aanloopstraten, van ketens naar zelfstandigen en van verkoopwinkels naar reparatiewinkels. Dit als reactie op het koopgedrag van de consument: steeds minder vergelijkend koopgedrag bij meerdere telecomwinkels en vaker doelgericht op zoek naar dienstverlening.

Unlimited bundels veroorzaken (nog) geen aardverschuiving in NL mobiele landschap

Bron: Telecompaper, Chiel Boerrigter

Sinds begin dit jaar biedt T-Mobile een Unlimited bundel aan voor EUR 35,- waarmee de abonnee in principe onbeperkt kan bellen, sms’en en internetten in Nederland en de EU. Vanaf mei volgde Tele2 met een soortgelijke Unlimited bundel, maar dan voor EUR 25,-. In een markt waar differentiatie steeds lastiger is en waar de netwerken qua performance weinig voor elkaar onder doen, is dit de facto een bovengrens in de markt. Welke effecten van deze introducties zien we tot dusver?

Op basis van het nog te publiceren Postpaid Insights rapport zien we onderstaande ontwikkeling. Een analyse aan de hand van een viertal vragen.

1. Wat is het aandeel van Unlimited onder klanten van T-Mobile en Tele2?

Het aandeel klanten met een Unlimited bundel is bij beide aanbieders nog gering. Slechts 1 op de 20 postpaid klanten van T-Mobile heeft nu een Unlimited bundel. Bij Tele2 ligt dit percentage een fractie hoger. Hierbij moet opgemerkt worden dat in beide gevallen de Unlimited bundels pas dit jaar zijn geïntroduceerd. Veel klanten hebben vaak nog een contract voor één of twee jaar en pas na deze periode kunnen zij overstappen.

Wel zien we in de hele postpaidmarkt een verschuiving naar steeds grotere bundels. Twee jaar geleden had bijna 50 procent van alle postpaidklanten met een databundel een bundel van 500 MB of minder. Bijna driekwart van de consumenten had destijds een bundel van maximaal 1.000 MB. Inmiddels heeft nog maar een kwart van de postpaid klanten een bundel tot 500 MB en heeft bijna de helft een bundel van meer dan 1.000 MB. Een kwart van de Nederlanders met een databundel heeft inmiddels een bundel van meer dan 4.000 MB.

2. Zijn de bestedingen per klant toegenomen?

De bestedingen van T-Mobile postpaid klanten zijn licht gestegen in het afgelopen jaar, van gemiddeld 29 euro per maand naar ruim 30 euro per maand. Hier zitten echter ook kosten in voor de mobiele telefoon. Wanneer we enkel kijken naar bestedingen van SIM Only klanten, dan zien we deze stijgen van 17,50 naar ongeveer 19 euro per maand. Bij SIM Only klanten van Tele2 is tot het derde kwartaal eveneens een stijging te zien, van minder dan 15 euro per maand naar ruim 17 euro. Hiermee evenaart Tele2 het gemiddelde in de SIM-Only markt.

3. Hebben T-Mobile en Tele2 extra klanten gewonnen? Of zijn het vooral hun eigen klanten die zijn overgestapt naar de Unlimited bundels?

Het marktaandeel van T-Mobile in de postpaidmarkt is relatief stabiel en ligt rond 20 procent. Het marktaandeel van Tele2 is licht gestegen afgelopen jaar van 7 naar 8 procent. Beide providers zijn vooral populairder geworden onder Generatie Z (12-19) en Young Millennials (20-24). Van de klanten op hun Unlimited bundels was ruwweg de helft al klant.

4. Zijn er andere effecten die een rol spelen?

Er spelen dit jaar diverse andere zaken een rol die van invloed zijn op de mogelijkheid tot differentiatie en daarmee de marktaandelen, bestedingen en ontwikkeling van de databundels. We noemen er enkele:

  • Zero rating: T-Mobile voert vooralsnog als enige provider het zero-rating beleid bij muziekdiensten waar zij een contract mee hebben.
  • Wet Financieel Toezicht: verschuiving van HS naar SO markt. Door nieuwe regelgeving vanaf mei dit jaar geldt een BKR registratie bij kredietverstrekking op toestellen bij bedragen boven EUR 250,-. Dit heeft verschillende gevolgen maar het duidelijkste is dit zichtbaar bij de HS omzet van de verschillende providers. Deze is flink ingezakt. Bij Tele2 zelfs meer dan 40 procent.
  • Roam Like At Home: providers mogen geen extra kosten rekenen voor gebruik in de EU, waardoor differentiëren met buitenlandbundels lastiger is geworden.
  • Extra data bij verlengen of 4P. Bij een aantal providers krijgt de abonnee dubbele data bij verlengen van het abonnement of bij het afnemen van Thuis en Mobiel (KPN Compleet, Telfort CombiVoordeel, VodafoneZiggo)

Wordt vervolgd

De Unlimited bundels hebben nog niet voor een aardverschuiving in het Nederlandse mobiele landschap gezorgd. Ook omdat een deel van de klanten nog vastzit in zijn of haar contract. Wel is er een duidelijke trend waarneembaar naar flink grotere databundels de laatste twee jaar. Zestig% van de twintigers heeft inmiddels een databundel van meer dan 2.000 MB. Er is een kleine toename in de bestedingen zichtbaar onder SIM-Only klanten van T-Mobile en Tele2. We zullen deze ontwikkelingen over een half jaar, als de eenjarige abonnementen die nog liepen – ten tijde van de introducties van de Unlimited bundels – verlopen zijn, nogmaals onder de loep nemen.

Dit artikel is een opinie van Telecompaper.

Gratis wifi in winkelgebied Almere

from Emerce.nl

Almere Centrum kan beschikt vanaf vandaag over gratis Wifi in het hele winkelgebied. Daarmee is Almere Centrum één van de eerste gebieden in Nederland waar bezoekers in een ruimte van één vierkante kilometer kosteloos, zonder inloggevens en een wachtwoord, gebruik kunnen maken van een naadloos wifinetwerk.

Het gratis wifinetwerk is tot stand gekomen door samenwerking van de Ondernemersvereniging Stadscentrum Almere, vastgoedeigenaren Klépierre en Unibail-Rodamco, de gemeente Almere, Windesheim Flevoland, Almere City Marketing en VodafoneZiggo.

Almere Centrum denkt hiermee ook klaar te zijn voor de toekomst. Nik Smit, directeur van Almere City Marketing, zegt: ‘Het maakt ook dat je buiten naar binnen haalt: Als je face-timend met je vriendin uit Den Haag je outfit uitzoekt ziet zij meteen wat een mooi centrum wij hier hebben.’

How Cities Can Save Small Shops

from: The Atlantic/ Citylab, by Karen Loew

This space on First Avenue has been vacant for months.

Some places are already taking action, but New York City is lagging behind. Here’s a blueprint for keeping local retail healthy.

Jane’s Exchange co-owner Gayle Raskin in her shop (Karen Loew)

This is the moment for mom-and-pop shops to assert their value proposition, says Olivia LaVecchia, a research associate at the Institute for Local Self-Reliance in Washington, D.C. “There’s really a failure to recognize what a powerhouse small businesses are,” says LaVecchia, citing their interdependency with other desirable local outcomes, such as maintenance of affordable housing and jobs.
A recent report from ILSR advocates six policy approaches that any locality can apply. These ideas lend themselves to being customized. After a raft of tavern closures in England, a new process was born to dub locals Assets of Community Value that could follow a path to business preservation. Now the Ivy House is thriving as the first cooperatively owned pub in London. In the Latin Quarter of Paris, when too many bookstores closed, and too many tourists thronged, the city’s Vital Quartier program was born to combat “blandification” and promote the tenancy of culturally significant organizations. From Barcelona to Buenos Aires, cities are demonstrating that local retail culture matters.But in New York City? “Crickets,” as Kirsten Theodos would say. She’s the passionate coordinator of Take Back NYC, which advocates for passage of the Small Business Jobs Survival Act, or SBJSA, the only measure to directly address the matter of rent rates and lease renewal, which is what proprietors will tell you is their number-one problem.

But the sound of silence in New York is starting to change. There are many ideas circulating from various politicians and groups—even more now than two years ago, when I optimistically wrote a roundup of proposals for my former job in East Village preservation (and came to know some of the people cited in this article). A proposal under consideration by Community Board 3 in downtown Manhattan would create a special zoning district in the East Village aimed at limiting the number of new chain stores and banks. A recent rally in favor of the special zoning district was held in front of a Starbucks under construction on Tompkins Square Park, one block from where the popular Café Pick-Me-Up was reportedly driven out by landlord demands. A candidate for mayor and a candidate for public advocate are both making small business a central campaign topic.

But that’s just the thing: So much is always on the brink of happening.

While Gotham talks, Jersey City, directly across the Hudson River, acts. Its city leadership just voted to reaffirm a similar “formula retail” provision capping how much of its downtown street-level retail can be chain stores.

Small business advocates say the reason for inaction, in this case, is that Mayor Bill de Blasio and the most powerful councilmembers simply have no desire to touch the third-rail topic of commercial rents when the Real Estate Board of New York is one of the most reliable sources of campaign cash. A REBNY rep was one of the four people to speak against the proposed special district in the East Village, among several dozen emphatically in favor, at a June hearing on the matter, held by Community Board 3. As State Senator Brad Hoylman, a Democrat who represents much of the East and West Village, delicately put it to me in an interview last month: “The truth is at the local level, and state level, the real estate community is very influential. It’s up to constituents and tenant advocates and small business owners to push back on that.”

This May, Hoylman released a report documenting the empty state of storefronts on Bleecker Street, which was a shopping destination a decade ago. He says he was promptly contacted by a number of people in the real estate industry with input to give. He plans to hear from them, but says that he stands by his policy recommendations, which if taken together would form the kind of robust, multi-pronged strategy that has succeeded in San Francisco, where it kept mom-and-pop stores a visible part of the city’s fabric. The plan includes support for the SBJSA; “formula retail zoning” that allows chain stores only by permit, not by right; disincentives to landlords for keeping spaces empty, plus incentives for filling them, even with temporary uses; fairer taxation; new data collection; and creation of a Legacy Business Registry like that in San Francisco, which helps to raise the profile of historic old restaurants and shops (and in SF, to direct some money to them as well).

Manhattan Borough President Gale Brewer, too, promotes a packageof policy fixes, with the notable addition of “condo-izing” storefronts, so that shop owners can have more control over their business, without having to buy an entire building. Like Hoylman downtown, her staff counted empty storefronts uptown, finding a similarly sad situation. At that City Council hearing in September, the city’s reps from City Planning and Small Business Services (SBS) made it clear that they had no real data on small business numbers, or plans to gather any.

That lack of direction from the top is why our streets look and feel the way they do. Sure, there are a handful of smaller government programs, whether a retail set-aside in Harlem or a Love Your Local campaign across the city. But a place determined to keep its retail culture must approach it holistically, and with teeth, as San Francisco has, or as Hoylman points toward.

Back at Jane’s Exchange, Raskin herself acknowledges that if her children were toddlers today, Amazon would be mighty appealing. Chain stores can be useful, and online shopping can be convenient. But what NYC’s small business advocates want to see is an environment in which successful small businesses can stay open—and new businesses can have the time to become successful. There are ways to do it. What New York City leaders need now is will.

Here’s What Transport for London Learned From Tracking Your Phone On the Tube

from: Gizomodo.co.uk

At the end of last year, between 21st November and 19th December, Transport for London carried out an intriguing trial: It was going to track your phone on the London Underground.

Today, thanks to the Freedom of Information Act, Gizmodo UK can exclusively reveal some of the utterly fascinating findings that the agency has been able to make from all of our data – and how the plan, if the trial is deemed a success and tracking is implemented full time, is also to use the data to inform advertising decisions on the Tube network.

Where and Why The Trial Took Place

This four week period was merely a pilot project – baby steps to test the water and see what could be learned – as well as, presumably, what the backlash would be like once passengers know that TfL is hoovering up data from phones whether they are connected to TfL’s Virgin Media Wifi network or not. Wisely, it was accompanied by a publicity campaign which included posters in stations and articles in the Metro – so that passengers could at least be informed that it is happening, rather than being horrified several months later when somebody spills the beans.

To have had your data collected in the trial, all you needed to have was your wifi switched on – then the various wifi hotspots around the Tube network would be able to pick up your phone (or tablet, or laptop, or whatever)’s unique MAC address that enables you to be identified.

The good news for the paranoid is that TfL appears to have gone out of its way to make sure everything is above board. In the documents that Giz UK has seen, it makes clear that it is only MAC data that’s collected (ie: they’re not monitoring the websites you visit) – and that this data is stored as encrypted hashes – so even if hackers could somehow break in and obtain the collected data, they wouldn’t be able to get any MAC address data.

As it was only a trial, only 54 out of out of 270 tube stations were involved. Mostly in Zone 1 and everything in the red patch below, apart from Tottenham Court Road, which doesn’t have wifi yet (because they’re too busy building Crossrail).

Though as you can see, the trial did extend out further up the Metropolitan and Northern Lines. According to the documents, the idea was to test whether a station being underground or not has an impact on wifi usage. If someone is at, say, Finchley Road, which is above ground, will they just use their phone’s mobile signal, or will they connect?

According to TfL’s one day analysis of Vauxhall station, for every 3 people who touched in at the Oyster gateline, they saw one person wifi device picked up by the wifi traps. This either means that the Virgin Media wifi is really popular – or there are a lot of people out there walking around with their wifi switched on.

So what has TfL learned? Here’s what we think are the most interesting results from the documents.

Route Tracking

Perhaps the number one reason to do the trial was to better understand the journeys that people actually make on the Tube. At the moment, TfL can tell what station you started and ended your journey at based on your Oyster card – but it can’t tell how you got between two locations. It sometimes supplements this data with a Rolling Origins Destination Survey (RODS) to figure out specific routes, but this is done manually, which is expensive and time consuming.

So one immediately obvious benefit of the wifi data is being able to collect the same data much faster, on a larger scale, and for a fraction of the cost. If you look at the slide below, you can see how popular different routes between Liverpool Street and Victoria are.

So if you travel via Oxford Circus, you do the same as 44% of other people. If you lazily sit on the circle line you do the same as 26% of people making the same journey. And if you change twice – once at Holborn, then again at Green Park, then congratulations, you’re a psychopath.

According to one document, the inclusion of the Finchley Road to Wembley Park section of the Jubilee and Metropolitan lines (they run next to each other – the Jubilee just stops at more stations in between) was deliberately included in order to observe customer behaviour when there are two options where one is obviously faster than the other (It takes 5 minutes on the Met, 12 on the Jubilee).

TfL even checked if this data was accurate, by matching it up with actual train timetables, and was able to demonstrate how on one journey southbound down the Victoria Line they were able match the wifi data of one passenger and figure out which specific train they were travelling on.

The upshot of this is fairly obvious. As TfL says itself “By using Wi-Fi data, merged with aggregated Oyster and Contactless ticketing data we would have a far richer data source to ensure optimal and evidence based decision making for a wide range of planning decisions.”.

In-Station Tracking

It isn’t just travel across the whole network that can be tracked by wifi. It’s even possible to track your location within an individual station – presumably by working out which access point that you’re closest to.

This means that TfL can use the data to make cool maps, like this:

This is a heat map of Euston tube station and shows where passengers walked around the station. Comparing this to the excellent 3D tube map from the Station Master app reveals that the busiest platform by some distance is the southbound Victoria Line. Which perhaps isn’t surprising as that’s the line you need if you want to get to Oxford Circus.

TfL hopes that this data could be used to analyse crowding. For example, the Northern Line was included in the trial as the two branches enables them to compare how the City and Charing Cross branches impact each other. The documents also seem to suggest that if TfL switched on tracking full time it could offer real time crowding information to passengers – so we could see a CityMapper of the not-too-distant future telling us which stations to avoid.

TfL also thinks the crowding data could be used to “Inform decisions on how many staff needed at each station and in what role”. This no doubt nods towards the recent reorganisations which have seen ticket offices close across the Tube network – which has provoked huge controversy in some quarters. One thing that everyone will like, though, is that the same data could also be used to monitor how long passengers have been stuck on trains or held outside of stations – and refunds could be offered as a result.

The in-station tracking enabled TfL to work out the average travel times between different parts of stations. Pictured above is Victoria – which reveals that it takes on average 86 seconds to take the escalator from the ticket hall to the Victoria Line platforms, and 67 seconds to walk along the platform from end to end. This could also have health and safety benefits, as this data could be fed into evacuation planning, and also help TfL test new initiatives. For example – remember the Holborn escalator trial? Using wifi data could give TfL researchers better information on whether they are making journeys faster.

Advertising Potential

In what will no doubt be the most controversial aspect of the trial, the possibilities of using the data to inform advertising are a big motivation. And to be fair to TfL, you can understand why. “TfL is under increasing financial pressure”, the documents note, adding that “The Department of Transport grant we receive (£591m in 2015/16) will be removed from 2018. In addition, fares are to be frozen over the current mayoral term (2016 to 2020).”

So could wifi tracking provide the extra cash to pay for Mayor Khan’s big fare freeze? According to a detailed grid outlining the rationale for the trial, the advertising upshot could be valued at hundreds of millions of pounds because TfL will be able to offer better analytics to advertisers about exactly how many people are looking at their ads around the tube network, because they know where you’re standing.

Being able to estimate the footfall in different parts of each station – and even roughly how long you’ll be staring at each advert – means that they can offer differential pricing depending on how good each advertising slot is. Being able to “demonstrate customer journey pattern volumes” will “enable advertising assets to be sold on a campaign level where the same customer views the same advert”. In other words – as TfL know your commute, if you’re the consumer a company wants to attract, they’ll know exactly the right places to buy ads so that you’ll see them.

The thinking on advertising has gone into some detail too. The docs reckon the data could also be used to choose which advertising slots on the Tube could be upgraded to digital displays next – and using the timing data even decide how long each digital ad will be displayed before switching to the next one.

Customer Attitudes to Tracking

Based on the documents we’ve seen, it’d be easy to write a scaremongering hit-piece based on scary quotes about tracking and advertising. But what’s interesting to see is the level of care TfL took before going through with the trial.

For example, there are numerous privacy assessments, and different tasks are assessed for how they’d use the data. In one document it raises privacy concerns – pointing out that this new data could conceivably be mashed up with data from Oyster or CCTV to enable the close tracking of individuals. This wasn’t done in this trial – though it’s clear that if it wanted to, TfL could conceivably create an Orwellian nightmare for Londoners – so if this does get switched on full time, it’ll be something new for privacy watchdogs to keep a close eye on.

What’s interesting though is that the cache of documents contains the results of research that TfL commissioned from a company called 2CV aimed at analysing customer attitudes to tracking their data – which makes for interesting reading.

For example, it revealed that customers are much more okay about sharing data when they feel that they are making an “informed decision”, and that many people are “apprehensive” about mobile tracking, because it is so new. The sharing of location data in particular is “viewed differently” to other private information too.

“It is clear that communicating the technology and raising awareness of its use will be critical in driving acceptance of TfL using it”, the research notes. Apparently once people understand the benefits, they are much more accepting of it.

Perhaps most intriguing though was that TfL decided to focus group reactions not just to the Tube wifi tracking – but to other potentially trackable aspects of London’s transport too. Unfortunately all we have to go on is these two slides – but this doesn’t mean we can’t wildly speculate. For example – it proposes using bluetooth to track vehicles in order to collect real time congestion data. It also suggests that by using an app, a customer could share their location data with TfL directly and have it automatically hooked up to their Oyster or Congestion Charging account.

Perhaps most intriguingly is mobile phone tracking – which appears to an ambition to do something similar to the Tube tracking but for all of London. If TfL could get data from the mobile networks, it would know where we’re travelling to and from, and would be able to better optimise cycle and bus routes.

As you can see above the reaction to these different scenarios was mixed – with mobile tracking the foggiest by some distance. Conversely, everyone appeared to like the tube tracking idea – as it has both tangible benefits for the customer, and it is obvious why TfL would need the data.

So that’s essentially what TfL have learned so far, as far as can we can tell. Just before publication we reached out to them to find out what the plan is going forward – will it be rolled out more fully? A spokesperson told me that they’re still assessing the data, as the trial was only completed relatively recently – but we wouldn’t be surprised if this quickly becomes standard in the future.

James is Interim Editor of Gizmodo UK and tweets as @Psythor.